Een onaangename waarheid

‘Een onaangename waarheid’ noemde Van Lienden zijn conclusie in de aflevering van De Wereld Draait Door van 12 januari 2016. En een onaangename waarheid is die conclusie ook, alleen niet de onaangename waarheid die Van Lienden presenteerde.

Van Lienden concludeerde, op basis van een artikel van Van Wijk en Blokland dat allochtonen in zo een grote mate meer zedendelicten plegen dan autochtonen, dat bij een instroom van 200.000 vluchtelingen het aantal zedendelinquenten in Nederland explosief, hij had het over tienduizend extra zedendelinquenten. Nog afgezien van de rekenblunder, een factor 10 te hoog, valt er op het extrapoleren van Van Lienden nogal wat aan te merken.

In kort hebben Van Wijk en Blokland op basis van de registratie die de politie voerde in 2005, in het HKS, over verdachten van zedendelinquenten. Op basis van de verdachten populatie trekken zijn nogal vergaande en mijns inziens niet vol te houden, conclusies. De belangrijkste conclusie is dat allochtonen, en in het bijzonder Antilianen, Marokkanen en mensen uit het Midden-Oosten zeer oververtegenwoordigd zijn in de groep van verdachten van zedendelicten. Er zijn nuances die Van Wijk en Blokland aanbrengen, maar die laat ik, want Van Lienden doet dat ook, buiten beschouwing.

Juist door de keuze die gemaakt is om de HKS gegevens als basis te nemen, zijn de conclusies uit het onderzoek niet zomaar te extrapoleren naar de hele groep zedendelinquenten. Zedendelicten, over de hele linie, komen in zeer beperkte mate ter kennis van de politie. Om een indruk te geven, in het onderzoek gaat het om 4241 verdachten. Van zowel delicten gepleegd door individuele zedendelinquenten als om zedendelicten gepleegd in groepsverband. Het aantal gepleegde delicten waar het om gaat ligt daarom ook lager dan 4241, de politieregistratie maakt het moeilijk om onderscheid te kunne maken naar in groepsverband gepleegde delicten en individueel gepleegde delicten. Deze minder dan 4241 gepleegde delicten staan in schril contrast met de 100.000 gevallen per jaar van seksueel geweld. Slechts 5%, nou ja iets minder nog zelfs, van de gepleegde delicten komt dus ter kennis van de politie.

Onderzoekstechnisch is dat geen probleem, als de wel bij politie bekende delicten een willekeurige verzameling van gegevens is. En daar wringt de eerste schoen bij het extrapoleren van de onderzoeksgegevens, bij zedendelicten is de groep die aangifte doet niet een willekeurig afspiegeling van de totale groep slachtoffers. Ongeveer 80% van de slachtoffers is slachtoffer van een delict dat gepleegd is door iemand in de naaste omgeving, partner, familie of buurtgenoot, en een bekende van het slachtoffer. Deze groep slachtoffers is minder geneigd om aangifte te doen, om diverse redenen maar alle die redenen hebben te maken te verwachtte gevolgen voor de aangever. Als iemand uit jouw directe omgeving geweld tegen jou gebruikt, is de verwachte kans, jouw eigen inschatting, dat dat geweld zich herhaalt of erger wordt, vrij groot. Kortom, de groep van in HKS geregistreerde verdachten komt niet tot stand op basis van een willekeurige groep aangiftes. Daarmee is de groep verdachten niet een willekeurige groep van plegers.

Eerlijkheidshalve, er zijn nog meer processen die maken dat het gebruik van de politieregistratie niet als, in statistische zin, representatief voor de hele populatie gezien kan worden. Dat voert hier a) te ver en b) draagt niet bij tot de conclusie hierboven getrokken. Het versterkt alleen het bewijs en de redenering in dit stuk.

Conclusies die uit het onderzoek getrokken worden zijn daarom niet zomaar uit te breiden naar de gehele bevolking. Sterker, het is zeer moeilijk om te corrigeren voor alleen al het gegeven dat aangiftes, en die leiden uiteindelijk tot verdachten, niet een goede representatie zijn. Dat maakt het doortrekken naar de hele bevolking eigenlijk niet alleen niet verantwoord is, maar eigenlijk complete onzin oplevert. De conclusie die Van Lienden trekt is dus onzinnig.

Hiermee zou het verhaal klaar kunnen zijn, er is echter meer. Als er 2% minder verdachten uit het Midden-Oosten zouden zijn, neemt de omvang van deze groep verdachten met 30% af. Daarmee is niet 3 op de duizend, maar 1 op de duizend, een potentieel zedendelinquent, als deze doortrekking van de gegevens valide zou zijn. Omgekeerd geldt als er 2% meer verdachten uit het Midden-Oosten zouden zijn, dan zijn het 9 op de duizend. Alweer met bovenstaande beperking.

Dat is relevant om het volgende. 10% van de in HKS vermelde verdachten zijn buiten beschouwing gelaten, omdat voor die groep niet genoeg gegevens, etniciteit, leeft, woonplaats of een combinatie daarvan, niet beschikbaar waren. De onderzoekers melden dit alleen maar, en geven geen enkele reden waarom het buiten beschouwing laten van deze 10% van verdachten niet van invloed is op de conclusies van de onderzoekers.

Ten slotte, het onderzoek heeft geen theoretisch kader. Het levert cijfers, maar wat oorzaken voor de oververtegenwoordiging zou kunnen zijn, blijft in het ongewisse. Vanuit een wetenschappelijk oogpunt zijn de cijfers daarmee verworden tot, uhm, cijfers. Niks meer en niks minder.

Dus ja, Van Lienden had gelijk, het is een onaangename waarheid, maar die onaangename waarheid is Van Lienden de vaardigheden ontbeert om een simpel statistisch artikel te lezen en te begrijpen. Voor hij weer verkeerde conclusies gaat trekken uit gegevens, is het misschien wijs als hij de volgende raad van Bijl en Oudhof tot zich neemt:

Weliswaar doen bepaalde subgroepen binnen bepaalde allochtone herkomstgroepen het relatief slecht, maar duidelijk is dat generaliserende uitspraken over de samenhang tussen herkomst en criminaliteit niet verstandig en vaak niet correct zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *