De kwader trouw van de Volkskrant retoriek

Nederland ondergaat momenteel de grootste maatschappelijke verandering sinds 1968. Niet plotseling, geen revolutie, maar geleidelijk, evolutie. Een van de meer bizarre exponenten van deze evolutie, die helaas conform Darwin’s wet van de meest aangepaste, is de groeiende dommigheid bij het ambachtelijk volk dat men vroeger met trots journalisten noemde.

Vergallopeert Neerlandica Reneé Braams zich in psychisch lijden; journalisten zijn immers alwetend onafhankelijk van hun opleiding. Dit weekeinde is het de beurt aan Martin Sommer, zij het dat zijn zonde minder kwaadaardig is en meer stupide.

Ik ben van een generatie die nog echt onderwijs genoten heeft. Voor de jonge lezers onder ons, vroeger leerde men iets op school. Martin Sommer is echt iets ouder dan ik, en het valt te verwachten dat hij ook iets zou hebben kunnen leren, gedurende zijn opleiding. Triest is het dan om te constateren dat er hopen belanstinggeld zijn verspild aan de scholing van Martin Sommer. In ieder geval tijdens de uren dat hij eigenlijk onderwezen had moeten worden in het beheersen van de moedertaal, Nederlands voor een Nederlander, heeft hij opmerkelijk genoeg uitermate zijn best moeten doen om daat niets op te steken.

Eenvoudige taalvaardigeden, zoals het logisch opbouwen van een artikel, op logische momenten in te delen door het gebruik van paragrafen, is een vaardig heid die hem, krachtens het artikel dat uit zijn pen (al denk ik eerder uit zijn tekstverwerker) rolde en waar hieboven naar verwezen wordt. In het bewuste artikel komen paragrafen eerder over uit een typografische overweging, het beeld is evenwichtiger met paragrafen van ongeveer dezelfde lengte, dan uit taalkundige overwegingen.

Nog triester is het gesteld met de redeneringsvaardigheden van Martin Sommer. Kort gezegd, een goed opinierend artikel bestaat uit een inleiding, een onderbouwing en tenslotte een conclusie.

De inleiding bereid de lezer voor op hetgeen komen gaat en gedraagt zich als een aanwijzing van het daarna volgende, Een goede inleiding nodigt de lezer uit tot het verder lezen van het artikel; het houdt een belofte in zich van gratificatie van de nieuwsgierigheid van de lezer.

De onderbouwing is het leeuwendeel van het artikel. Het bevat een vorm van bewijsvoering voor de conclusie die erna volgt. Het neemt de inleiding als een beginpunt op een reis van intellectuele ontdekking in de mening van de schrijver. Het levert, contraleerbare, feiten en lardeert dat met een goede mening.

De conclusie is het deel van het artikel dat eigenlijk niet meer hoeft te worden gelezen. Als de schrijver zijn ambacht verstaat, is de conclusie het onvermijdelijk volgende uit het boven de conclusie geschrevene.

In het bewuste artikel levert Martin Sommer een epistel dat door een ouderwetse lereaar Nederlands met een vette 1 beloond zou worden. Tegenwoordig niet meer, de leraar Nederlands is al dolgelukkig als er een leerling is die met aanmerlijk minder dan het gemiddelde aantal spelfouten een epistel inlevert, bij voorkeur voor de afgesproken datum. Kritisch kijken door de leraar naar de gevolgde redenering is er niet meer bij, de docent is te druk met feesten over zo weinig spelfouten.

Het gaat al mis na de, overigens niet aan de stijlvormen tegemoetkomende vet gedrukte, inleiding. Martin Sommer verwijst naar een blad; S & D. Voor de lezers die minder ingevoerd zijn de kringen waar Martin Sommer zich in waant te bewegen is dit een totaal onbekend obscuur blaadje in de marge. Het gaat, lettend op de context van de verwijzing, om een blad dat gelezen wordt in PvdA kringen.

De wat gebrekkige bronvermelding maakt dat de lezer moet gaan raden waar Martin Sommer het over heeft. Alleen blijkt dat niet alleen de lezer, ook Martin Sommer zelf moet raden waar het stuk over gaat. Hoewel de titel doet vermoeden dat het epistel de mala fides als onderwerp heeft, is gebruik van een wat ongelukkig, en historisch volkomen incorrecte, metafoor iets wat een ieder, inclusief dus Martin Sommer zelf, op het verkeerde been zet. Zo erg zelfs dat de rest van het epistel lijkt te gaan over de vernadering van aanpak, niet van maatschappijbeeld, door Eberhard van der Laan, in vergelijking met Job Cohen.

Niet gelukkig met de wending die zijn epistel nu neemt, probeert Martin Sommer nu zijn epistel te redden door niet de aanpaksverandering het onderwerp te maken, maar repressie. Oh nee, het gaat over een fundamentele wijziging in het denken bij, naar alle waarschijnlijkheid -Martin Sommer weigert maar te vertellen wat dat voor obscuur geschrift is dat S & D- de PvdA. Het blijkt, tenminste in de geest van Martin Sommer, dat de PvdA altijd uit is gegaan van de goede mens. Kwade trouw zou, in het verwrongen beeld van Martin Sommer op de sociaal democratie en haar geschiedenis, niet bestaan als concept in de Sociaal Democratische gedachten wereld. Als Martin Sommer het beginselmanifest van de PvdA gelezen en begrepen zou hebben, zou hij beter weten. Er is binnen de Sociaal Democratie sprake van een wereldbeeld waarin het individu staat binnen en met een overheid, waarbij wel het individu bescherming hoort te krijgen tegen en van diezelfde overheid. Los van de intenties en eventuele malafides bij een individu. Dat is iets anders dan wat Martin Sommer meent dat er over bona en mala fide staat in het beginselmanifest.

Als grote conclusie van het epistel, logischerwijs is dat een conclusie omtrent mala fide en bona fide grondhoudingen, komt er dan uiteindelijk een gigantische aap uit de mouw. In Amsterdam kan men alleen leven met 172 verschillende culturen, als er sprake is van vergaande repressie.

Als Martin Sommer zijn stuk goed had neergezet, was het begrijpelijk en was er kritiek op te leveren, nu moet ik helaas constateren dat de kritiek die er te leveren is simpel is. Wat een baggerstuk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *