Hij heet Nicolaas

Zo in het midden van de afgelopen week, het zal dinsdag zijn geweest, werd uw chroniqueur verblijd met een afstandsgesprek met beeldverbinding. Het programmaicoon van de zachte spullen die voor mij een langeafstandsspreekgesprek kan verzorgen, sprong dolenthousiast op uit de Dock.

Geheel verrast, maar ook wel blij dat iemand met uw chroniqueur op deze technologisch vernieuwende manier wenste te spreken, werd het gesprek aangenomen. Het bleek, en hier kwam het beeld gedeelte van het gesprek eens erg goed uit, een spanjevaarkindje te zijn, welke een kleur op zijn gezicht had welke zich nog het best laat omschrijven als donkerbruine schoenpoets.

“Goedenavond,” sprak hij, de oude spelling hanterend, “mijn naam is Piet, Opstal Piet.” Ik begreep direct dat het stoomvaartuig waar dit gesprek vanaf gevoerd werd, niet alleen over de allermodernste langeafstandsspreekapparatuur beschikte, maar ook draadloze verbinding had met tenminste een bioscoop. Het was overduidelijk dat de heer Piet geïnspireerd was door de jongste James Bond film.

Om een lang en ingewikkeld gesprek even kort weer te geven, het kwam op het volgende neer. De heer Piet had begrepen dat er bij ons op het terrein een mogelijkheid was tot het stallen van paarden. Het leidde tot wat verwarring, niet alle stallen zijn ons eigendom, maar uiteindelijk kwam het hoge woord er uit. Zijn baas, de heer Nicolaas, was van plan om, gelijk hij ieder jaar gewoon is te doen, Nederland voor een periode van ongeveer twee weken te bezoeken. Nu was er een probleem met het stallen van de schimmel van zijn baas, en zouden wij, gelet op het feit dat er toch stallen bij ons staan, genegen zijn om in dit kader te hulp te komen. Bij de stalling waar zij vorig jaar de schimmel hadden staan, waren er grote problemen geweest, het op alle uren van de dag en nacht komen en gaan van verzorgers van de schimmel in kwestie leidde tot grote spanningen. De oorzaak hiervan was dat de familie Piet, alle werknemers van Nicolaas bleken uit de familie Piet te komen, vorig jaar wat onervaren verzorgers had ingezet, die zich als God op het terrein van de stalling waanden. Na enig overleg spraken wij een prijs af en, hoewel de heer Piet dit in het geheel niet nodig achtte, zette ik de afspraken even op papier, wat per fax naar het stoomvaartuig werd gestuurd, en ondertekend werd teruggestuurd.

Gisteren was het dan zover. Na een enerverend bezoek aan Middelburg, kwam de heer Nicolaas, met al zijn werknemers, bijna de gehele familie Piet, om ongeveer tien uur ‘s-avonds aan. Wij waren, goede gastmensen als wij zijn, goed voorbereid. Dus na het stallen van de schimmel, lekker in het verse stro, met vers hooi en een heerlijke wortel, nodigden wij Nicolaas met zijn gevolg binnen. Ik had mijn hand al uitgestoken.
De heer Nicolaas bloosde een beetje, “Liever niet,” sprak hij, “ik geef liever geen hand. Dat heb ik als kind zo geleerd. In mijn geboorte land is dat gebruikelijk he.” Tsja, daar had uw chroniqueur geen rekening mee gehouden, Nicolaas is geboren in Turkije.
“Ja,” sprak Nicolaas, “het was weer lastig dit jaar om een visum te krijgen hoor. Een mevrouw Rita Verdonk of zo, had begrepen dat Sinterklaas niet mijn naam is, en dat gaf problemen. Gelukkig kon ik net op tijd nog, op voorspraak van Jan-Peter en Wouter, de lieverds, kon het nog net.” Onderwijl gaf hij Piet, er zijn er zoveel dat ik gemakshalve maar even gewoon naar ‘Piet’ verwijs, een teken, die daarop een stuk gevulde speculaas naar mij wierp.

Gezeten in een stoel, met een glas Oude Klare, natuurlijk waren wij goed voorbereid, begon de oude man te vertellen. Hoe hij toch met steeds minder zin naar Nederland komt. Hoe hij met lede ogen toeziet dat alle kinderen, en hij is tenslotte een kindervriend, steeds minder tijd met hun ouders doorbrengen, en de hele dag op school of de op de opvang zijn. Dat hij dit jaar er serieus over dacht om geen bezoek aan Geert en Marco te brengen, want die hebben zo een moeite met kinderen. De klapper bewaarde hij voor het laatst.

Bij de vijfde borrel kwam dan eindelijk zijn grootste reden om geen bezoek meer aan Nederland te brengen. “Weet je,” Nicolaas tutoyeert, maar wil wel graag dat wij ‘U’ zeggen, maf hoor, “weet je, ik ben gevraagd om als kindervriend plaats te nemen op de lijst van de pedopartij. Nou vraag ik je, wat moet ik in een land waar een kindervriend als pedofiel gezien wordt?”

Hier had ik niets meer aan toe te voegen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *