Een dode roker

Vandaag, 2 november 2006, is het twee jaar geleden dat regisseur, commentator en algeheel luis in de pels Theo Van Gogh in Amsterdam is vermoord. Als er ooit een toepasselijker individu is geweest voor de uitspraak ‘van de doden niets dan goeds’, dan is dat uw chroniquer niet bekend. Tot de dag voor zijn dood heeft Van Gogh om een zo groot mogelijk deel van de samenleving tegen zich in het harnas te jagen. Een levenshouding waar hij, krachtens zijn eigen uitspraken, een zeker, ongetwijfeld satanisch, genoegen in schiep. Geacht internetkijkkindje begrijpt uw chroniquer goed, hoewel hij zeker niet tot de fanclub van Van Gogh behoort, kan hij zich goed vinden in de opvatting van Van Gogh dat alles ter discussie mag staan. De wijze waarop Van Gogh dat deed, maakte hem bijna universeel onbemind. Van Gogh had, en dat is zeker een compliment waard, meer mensen tegen zich in het harnas gejaad dan Gerard Van Het Reve, Maarten ’t Hart en Harry Mulisch bij elkaar, in zichzelf een noemenswaardige prestatie.
Op 2 november 2004 veranderde echter een ieder haar opvatting over Van Gogh. Mensen en instellingen die hem bij leven bestookten met rechtszaken en aangiftes van belediging, haatzaaien en in het algemeen de juridische weg zochten om hem het zwijgen op te leggen, roemden hem na zijn overlijden als held van het vrije woord.
Met Van Gogh is een knap cineast aan Nederland verloren gegaan. Over zijn andere activiteiten heb ik in het algemeen niet een zo hoge pet op. Als Van Gogh homoseksueel zou zijn, dan zou de term relnicht zeker op hem van toepassing zijn. Met de moord op Van Gogh, en anders dan de rechtbank zie ik de moord op Van Gogh niet als een terroristische daad maar als een moord met terroristische gevolgen, is echter ook de gevveinsde onschuld van de gevestigde orde heen gegaan.
Anders dan bij de moord op Pim Fortuijn, en wellicht is de moord op Fortuijn beter te verdedigen dan die op Van Gogh, waarbij de daad, de moord dus, veroordeeld werd, maar de persoon niet universeel werd verheerlijkt, werd bij de moord op Van Gogh juist de persoon verheerlijkt. tenminste 224 leden van ons parlement, het 225e lid is Ayaan Hirshi Ali en die was als enige politica oprecht in haar loftuitingen op Van Gogh, en alle leden van het kabinet, maakten zich op de avond van de moord schuldig aan onverholen politieke hypocrisie en hoererij.
Dat een wethouder uit Amsterdam het Rita Verdonk kwalijk neemt dat zij politieke munt uit de moord op Van Gogh heeft geslagen is terecht. Zeker omdat de betreffende wethouder nou net niet aan de hoererij meedeed. Dat hij daarvoor excuses moet maken, is Van Gogh los.

Het is typerend dat de grootste kritiek op Van Gogh na overlijden kwam uit de hoek van zijn vrienden, die hem, wellicht terecht, kwalijk namen dat hij zo onbezonnen te werk kon gaan.

Het is typerend dat nog geen twee jaar later geen enkele politicus nog op 2 november 2006, in het midden van een campagne, graag met Van Gogh geassocieerd wenst te worden.

Van Gogh, een tevreden roker en onruststoker. Ik hoop dat hij nu kan genieten van zijn Gauloise.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *