De Nieuwe Reporter

Deze week is er nogal beroering over de rol van de journalist (v/m) en de rol van de journalistieke media in de samenleving. De voorzitter van het college van Procureurs-Generaal, Harm Brouwer, wijst er op dat journalisten in de Nederlandse samenleving geen juridische privileges bezitten. Kort samengevat komt de positie van Brouwer op het volgende neer. Journalisten zijn gewone burgers. Zij hebben in voorkomende gevallen, anders dan de meeste andere burgers, eenvoudig toegang tot informatie en personen, waar de meeste andere burgers slechte toegang hebben. Bijvoorbeeld is het voor journalisten vrij eenvoudig om persvoorlichters van de politie te spreken te krijgen. Net zo als andere burgers echter hebben de journalisten ook plichten, naast hun plichten voortvloeiende uit hun werk. Zo dienen ook journalisten belasting te betalen en zijn ook journalisten verplicht om indien zij kennis hebben va neen misdrijf, dit onverwijld aan de bevoegde autoriteiten te melden. Brouwer zei dit op een bijeenkomst van het genootschap hoofdredacteuren.

Het signaal dat Brouwer naar de journalisten hiermee afgeeft, gaat verder dan de simpele constatering dat journalisten geen bijzondere juridische status hebben. De gevolgen van die constatering, journalisten hebben geen verschoningsrecht, journalisten kunnen ook onderwerp van onderzoek zijn met alle nare gevolgen -aftappen van telefoon en mail verkeer- en daar heeft de journalist zich uiteindelijk bij neer te leggen. Nu is deze conclusie weer te kort door de bocht. Brouwer geeft aan, in navolging van de rechter, dat in het geval journalisten, krachtens hun rol als journalist en niet krachtens hun burgerschap, betrokken raken in onderzoek, of dat nu vanuit de politie, het Openbaar Ministerie of de AIVD geïnitieerd wordt, de onderzoeksinstantie terughoudendheid dient te betrachten met het toepassen van ingrijpende onderzoeksmethodieken, zoals afluisteren, volgen en dergelijke. Het werken dient de journalist niet onmogelijk gemaakt te worden. Als een onderzoeker meent dat een journalist, of een journalistieke organisatie, over informatie beschikt welke van grote waarde zijn voor het onderzoek, dan moet de onderzoeker niet meteen naar dwangmiddelen grijpen. De methode dient, zoals dat heet, in proportie te zijn met het doel, en gelet op het feit dat journalisten vaak hun werk alleen maar kunnen doen, onder de deken van anonimiteit van hun bronnen, dient de onderzoeker zich extra af te vragen of het middel, bijvoorbeeld afluisteren, niet te zwaar is en niet onnodig de positie van de journalist schaadt.

Dit debat raakt aan de kern van een van de moeilijkste punten in de relatie journalistiek-overheid, en aan een van ethische vragen van de journalist. Het is in het verleden vaker aan de orde geweest, bijvoorbeeld bij het invorderen van video opnamen, door sportprogramma’s gemaakt, voor het identificeren en vervolgen van voetbalvandalisten. Steevast stelt de journalist zich op het standpunt dat zij geen verlengstuk van het Openbaar Ministerie is, en terecht, en dat daarom de opnames niet kunnen worden afgegeven, wat een onterechte conclusie is. Het debat raakt echter ook de kern van de rol welke de journalist zich toemeet in de moderne samenleving, en de rol welke de journalist heeft in de moderne samenleving. Deze twee zaken zijn niet noodzakelijkerwijs dezelfde.

De journalistiek, als ambacht, bevindt zich heden ten dage in een identiteitscrisis. Met name de beschikbaarheid van eenvoudige publicatie vormen als weblogs knagen aan de poten van de traditionele journalistieke stoel. De crisis gaat zover dat vooraanstaande journalisten en nieuwsmakers hierover een -openbaar nog wel- weblog op na houden, De Nieuwe Reporter. Hier vindt men columns, geschreven door journalisten, politici en andere vooraanstaanden met een relatie met nieuws, waar een deel zich begeeft op het terrein van de bezinning op de rol van de journalistiek. Impliciet in veel van deze columns is de aaname dat journalistiek per definitie gaat over nieuws, zonder overigens nieuws te definiëren. Alle bijdragen op De Nieuwe Reporter zijn zeker het lezen waard. De bijdrage “Politix.nl: nieuw controleinstrument in Nederlandse democratie” is echter zeer het lezen waard, zeker in het licht van de eerste paragraaf van dit stuk. De auteur, Josta de Hoog, geeft vier functies op die de journalistiek, of de journalist, en de media in het algemeen tot een denkbaar nuttig instrument maken. Hier dreigt toch de journalistiek erg boven haar macht te reiken, en zich precies de rol aan te meten, waarvan De Hoog stelt dat deze in een moderne democratische samenleving niet thuishoort.

De functie welke De Hoog denkbaar acht voor de media zijn:
1. het controleren van de macht
2. het representeren van de samenleving
3. het ondersteunen van het publieke debat
4. het onderschrijven van de fundamentele waarden van de samenleving.

Hier meet De Hoog de media, en in het bijzonder de gedrukte media, de rol van rechter, volksvertegenwoordiging en zedenmeester in een aan. Hoewel zijn idee duidelijk is, is zijn uitvoering ervan, de combinatie van de rollen die de media heeft, op zijn minst bedenkelijk.

Het controleren van de macht
In Nederland kennen wij, net als in meeste beschaafde landen, de trias politica, hoewel deze niet in strikte zin wordt beleden. De controlerende macht is in Nederland verdeeld over de Rechterlijke Macht, in de klassieke opvatting van de trias politica de controlerende macht, en het Parlement, in de klassieke trias politica, de wetgevende macht. Hoewel moderne politike theoretici de journalistiek als een vijfde macht onderkennen, wordt de rol van controle daarin ondergeschikt gemaakt aan de rol van communicator. Sterker, de controlerende rol van de journalstiek is een voortvloeisel van haar communicatieve rol, en zeker niet een kern taak van de journalist. Het valt te betogen dat de journalistiek niet zelf een controlerende taak uitvoert, maar de controlerende taak van de bevolking, die de bevolking uitvoert middels de periodieke verkiezingen van de vertegenwoordigende lichamen, beter uitvoerbaar maakt, door te berichten over de de machten van de trias politica en de afwijkingen binnen die machten van het gewone proces tussen machten. Oftewel, door berichtgeving over (ernstige) misdragingen binnen de machten van de trias politica, draagt journalistek bij aan het democratisch controlerende proces. Alleen al door het ontbreken van de dwingende moglijkheid om anderen ter verantwoording te roepen, de journalistiek kan in het beste geval iemand uitnodigen om haar verhaal te doen, maar nimmer hiertoe verplichten, kan de journalistiek niet een controlerende rol in zichzelf spelen. Zij is gedoemd tot het immer aan de zijlijn toekijken, hoe de door haar angedragen informatie en feiten, worden gebruikt in het controlerende proces.

Het representeren van de samenleving
Deze rol kan de journalistiek nimmer waarmaken. Er is geen enkel mandaat, en er wordt nergens een mandaat impliciet aangenomen, waarop de journalist zich kan beroepen als zijnde een vertegenwoordiger van de samenleving. De individuele journalist dankt haar functie en rol aan het normale proces vanuit personeelszaken en bedrijfsleiding omtrent het aannemen van personeel, of het inhuren van een tijdelijke kracht. Als De Hoog verwijst naar de rol van de media voor het signaleren van gevoelens en ideen vanuit de samenleving, dan is de term representatie op zijn minst ongelukkig gekozen. Bovendien geldt in het laatste geval dat de journalistiek zich dan de verplichting oplegt om, zonder enig evaluatief oordeel, te rapporteren over ontwikkelingen in de samenleving. Het zonder evalutief oordeel rapprteren verhoudt zich slecht, of eigenlijk juist helemaal niet, met de eerder door De Hoog genoemde mogelijke rol van controleur. Zelfs de verhouding met de hier beperkte rol als verslaggever in het controlerende proces is slecht. Door het ontbreken van enig waardeoordeel, kan van geen enkele gedraging als misdraging worden aangemerkt. Daarmee lijkt een belangrijke rol van de journalistiek meteen verdwenen.

Het onderschrijven van fundamentele waarden van de samenleving
Voor op het derde punt, het ondersteunen van het publieke debat, wordt ingegaan, eerst dit punt.
Op het eerste gezicht lijkt dit een redelijk punt, al is het een beetje ter zelfbescherming aan te merken. In Nederland is vrijheid van meningsuiting een fundamentele waarde, als de journalistiek dat niet onderschrijft, dan stelt zij dat de journalistiek niet haar taken kan uitoefenen, en derhalve is zij overbosig geworden.
Echter, het is een loos punt. Fundamentele waarden zijn universeel geldig en waar, anders zijn zij niet fundamenteel. In dat opzicht is er niet een bijzondere rol voor de journalistiek weggelegd. Andere waarden in de samneleving zijn niet fundamenteel, en derhalve aan verandering onderhevig. Het onderschrijven van veranderende waarden, leidt tot een continue proces van het zelf definiëren, of het leidt tot het onveranderlijk maken van niet fundamentele waarden, wat leidt tot burgeroorlog.
Tenslotte fundamentele waarden zijn door een ieder gedragen, dat is het gevolg van universele aard van fundamentele waarden. Het onderschrijven ervan door de media, kan nooit een functie van de media zijn, het is een loze handeling. Niemand hoeft overtuigd te worden, en niemand hoeft extra te worden geinformeertd wat de fundamentele waarden zijn. Moet dat wel, dan zijn de waarden niet fundamenteel.
Het enige andere argument om dit als functie van de media te hanteren, is van zo een zedenprekerige aard, dat zij gespannen staat op het laatste punt wat De Hoog stelt.

Het ondersteunen van het publieke debat
Een groot deel van het publieke debat verloopt via de media. Zij stelt de ruimte, tijd en informatie beschikbaar, om zo een debat te voeren. De media dient er echter voor te waken, dat zij haar censurerende rol, tijd en ruimte zijn schaars in het publieke debat en de media moet keuzes maken voor wwelke punten en opvattingen aan bod komen en dat is een vorm van censuur, niet vertaalt naar een impliciet oordeel over de waarde van opvattingen.

Er is nog een belngrijk punt wat De Hoog over het hoofd ziet. Wil de media al de functies vervullen, of zelfs maar een functie die De Hoog voorstelt, dan dient de media controleerbaar, open en verantwoordelijk te zijn. Alle uitingen in de media moeten voor de consument verfieerbaar zijn, helder zijn en de consument moet ten alle tijden de media ter verantwoording kunnen roepen. Het zijn nu net deze punten waar de journalistiek van vindt dat zij daar niet aan hoeft te voldoen. Alleen al de roep om een absolute bescherming van bronnen, staat dit in de weg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *