Zwelgen

Daar zat zij dan. Ergens tussen Nergenshuizen en Niemendal. Haar lichaam was het hare niet meer, haar geest murw van het grijze huizenblokken bestaan, haar stemming al zo lang zij zich kon heugen ver beneden peil. Eenzaam, opgesloten in haar eigen fantasieën. Zo had zij zich het niet voorgesteld.

Hoe kon zij nou niet vrolijk zijn, niet tevreden zijn met haar bestaan. Zwanger, een uitkering, een flatje in de betonwijk, niet te onderscheiden van enige andere flat in enige betonwijk ergens anders in Nederland. Iedereen zou dan gelukkig moeten zijn, maar zij niet. Wat was er nou mis met haar?

Die meneer van het CWI was ook al zo moeilijk. Natuurlijk weet zij wie de vader is, maar dat gaat zij niet zeggen. Straks komen zij erachter dat zij samenwonen, en dan heb je eerst recht de poppen aan het dansen. Waarom was zij nou niet blij? Zij kan wel janken, en deed dat ook vol overgave de hele dag. Aan het eind van de middag komt haar Moppie thuis. Dat werd eigenlijk steeds ongezelliger. Hij was steeds vaker boos, en zij begreep maar niet waarom. Hij kon toch niet verwachten dat zij, als zij zich ongelukkig voelt, ook nog het huishouden gaat doen. En dan de sex, dat vind zij al niet zo fijn, maar nu moet zij er helemaal niet aan denken. En haar Moppie duidelijk ook niet, die ging steeds meer overwerken. En de nieuwe after-shave kon zij ook al niet thuis brengen. In het hele huis kon zij niet een flesje vinden dat zo rook.

Kon zij het maar aan haar moeder vragen, maar die zou haar wellicht pas weer willen spreken als zij haar moeder haar spullen terug gaf. Waarom liet iedereen haar zo in de steek?

Soms kijkt zij uit het raam, van twaalf hoog naar beneden, en dan begrijpt zij het. Als zij niet zo bang was dan…

Geef een reactie