Deken

Voor sommige beroepen geldt dat het kouwelijk moet zijn. Kouwelijk, want een der vertegenwoordigers van zo een beroepsgroep is een deken. Nu weet ik natuurlijk niet waar een gemmideld internetkijkkindje aan denkt bij het woord deken, maar ongetwijfeld zal dat eerder met de slaapkamer, dan met een werkende groep van individuen te maken hebben.

Onlangs, vandaag dus, heb ik het genoegen mogen smaken, en een genoegen was het zeker, om met zo een deken te converseren. Gewoon, van mens tot mens zeg maar. Niet via een complexe correspondentie, of door inschakeling van mensen uit een netwerk, nee gewoon gebeld, afspraak gemaakt, en dus een gesprek.

Het is een aimabele man, de deken. Vol overgave kweet hij zich van zijn taak. Hij luisterde aandachtig naar mijn gesproken woorden, proefde deze als het ware alsof het een goede wijn uit een subliem jaar betrof, en toonde een ongeveinsde interesse in hetgeen de kern van mijn betoog en vraag was. Met grote belangstelling veranderde hij daarna in een papierleeskindje, dat de meegebrachte stukken intens begon te lezen. Dit alles terwijl hij toch een meer dan volle agenda heeft.

Zo groot was zijn belangstelling, dat hij de daartoe aangestelde ondergeschikte opdroeg om afspraken af te zeggen, en mij te voorzien van een kleine verfrissing, in de vorm van een, inmiddels tweede, kop koffie.

Hij is een snellezer, dat wel. Het, inmiddels omvangrijke dossier, had hij in een korte tijd, het duurde wel even, maar zeker niet zo lang dat ik er zeker van kon zijn dat hij de subtiliteiten van het dossier ook volledig kon waarderen, in zijn geheel doorgenomen.

“Ja,” begon hij, “U maakt, voor een leek, een zeer grondige indruk.” Geheel in de stijl welke bij het beroep hoort, begon hij zijn goed doorwrochten betoog, waarmee hij toch de indruk gaf dat hij zich snel het dossier eigen had gemaakt. Sterker, hij wist ons betoog, onze bewijzen en onze redenering zelfs nog wat te verbeteren. Mijn toch al grote achting, steeg hierdoor tot aanzienlijk hoge waarden.
“Uw punten geven, als ik zo vrij mag zijn, blijk van een, uhm, creatieve geest. Het duidelijke beroep dat u doet op de gangbare opvattingen, maar dan bezien door een vernieuwende bril.” Op dit punt werd mijn verlegenheid totaal, zeker omdat ik niet als enige de zienswijze hebt bedacht, het vroeg ook om plaatsvervangende verlegenheid voor mijn betere wederhelft, die helaas door verplichtingen eelders, niet bij dit grote mooie samenzijn aanwezig kon zijn. Mijn kaken moesten bijna in brand staan van het blozen.

“Er wordt,” zo vervolgde hij, “zeker een punt gemaakt. Indien wat u zegt een redelijke weergave is van het gebeurde, en na de vluchtige blik in het dossier moet ik concluderen dat u in ieder geval wel een goede afstandelijke blik heeft, dan heeft uw bezwaar een goede grond, en acht ik het bijna ondenkbaar dat u hierin ongelijk krijgt.” Dit sterkt toch mijn gevoel voor erkenning door een professionele partij, nooit weg als men als leek het opneemt tegen een beroeps tegenstander.

Na een discussie over mijn punten, wat een onverwacht genoegen was; ik kwam om zijn kennis en inzichten te raadplegen, niet voor een gesprek tussen gelijken, wat het wel was, namen wij afscheid, hartelijk en wederzijds uitziend naar een volgende ontmoeting. Ik ging weg met het gevoel dat ik de hele wereld aan kan.

Geef een reactie