Dat weet u heel wel

Met deze zin trachtte iemand indruk op mij te maken. Even daar gelaten dat ik niet zo gauw aanneem dat iemand telepathisch is, en die gave wordt wel in zo een uitspraak geïmpliceerd, stoor ik mij aan de aanmatigende toon welke uit zo een uitspraak naar voren komt.
Natuurlijk het feit dat de persoon in kwestie zich een meester (sic) in de rechten noemt, versterkt de antipathie welke het, enigszins archaïsch, taalgebruik met zich meebrengt. Ongetwijfeld, en de verdere correspondentie van het persoon welke het advocatenvak, in deze mijns inziens zeer ten nadele van het imago van de beroepsgroep als geheel, uit meent te moeten en kunnen oefenen staaft dit, is de persoon enigszins, of eigenlijk zeer, onkritisch -en dat staat inderdaad in Van Dale’s Grootwoordenboek Der Nederlandse Taal– geheel op het verhaal van de cliënten in deze kwestie afgegaan. De cliënten kennende is dat ook niet een verwonderlijke strategie. Het beste zou men met deze mensen op één van twee wijzen om kunnen gaan.

De eerste, en eigenlijk de meest verstandige, strategie is gestoeld op de Rogeriaanse vorm van verbale therapie. Hierbij maakt men empathische geluiden, zoals uh-huh en mmhmm of aha, terwijl de cliënt spreekt. Dit wekt de indruk dat de luisterende partij een goed begrip voor de spreker op kan brengen, wat weer uitnodigt tot een grotere spraakwaterval van de zijde van de spreker. Een spraakwaterval waar de cliënten in deze kwestie -wel even bij de les blijven- al een ruim talent voor hebben; zij luisteren graag, vooral naar zichzelf. Cruciaal echter bij de Rogeriaanse vorm is dat men acuut het gesprokene vergeet zodra de cliënt de deur van de spreek- of vergaderkamer achter zich doet. Desnoods helpt men dit vergeten met de inname van genotsverhogende stoffen als alcohol, cafeïne of nicotine. In het onderhavige geval zou dit overigens menigeen direct tot het volk der alcoholverslaafden brengen, Een ander genotsverhogend middel werkt niet.

De tweede, en voor het geestelijk welzijn van de luisteraar meest destructieve, strategie, is het serieus nemen van het verhaal van de cliënten. Enige kritische vraag, in de trant van “Is het wel allemaal zo als u vertelt?” of “Is het mogelijk dat u het wellicht verkeerd ziet?” is volslagen uit den boze. Niet alleen begaat de luisteraar daarmee de fout het ego van de spreker voorgoed te verwonden, het brengt der criticaster mogelijk zelfs in de positie van vijand. De cliënten in het onderhavige geval houden er een zeer simpel wereldbeeld op na. Zo simpel dat zij niet eens goedgekeurd wordt door Het Simplisties Verbond. In dit wereldbeeld bestaan twee groepen mensen. Zij die voor de cliënten zijn, en behalve hun advocaat en hun zelf zullen er niet zo bijzonder veel mensen tot deze categorie behoren. En zij die tegen hen zijn, wat zo ongeveer de gehele groep van mensen is die ooit de euvele moed hebben gehad om een eerder geschetste vraag te stellen. Grofweg 99,999999% van de mensen die de cliënten in kwestie kennen.

De persoon die mij dus voorhield “Dat weet u heel wel” hoort, mijns inziens, tot groep van mensen welke de tweede strategie gekozen heeft.

Tsja die moeten er ook zijn nietwaar?

Geef een reactie